Welzijn op het werk: naar een nieuwe nationale strategie?

In opdracht van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, voerde Prevent een onderzoek uit naar de nationale strategie inzake welzijn op het werk (2008-2012). Het rapport is openbaar gemaakt. Naast een evaluatie van de uitvoering van de strategie,  bevat dit rapport ook aanbevelingen. Een overzicht van de krachtlijnen van het rapport.

Onder impuls van Europa

Geïnspireerd door de Europese strategie voor gezondheid en veiligheid op het werk, ontwikkelde de Belgische overheid in 2008 een nationaal beleid inzake welzijn op het werk. De nationale strategie 2008-2012 zette, in de nationale context, de richtlijnen om van de Europese strategie. Voorgesteld door de toenmalige Minister van de Arbeid, Joëlle Milquet, werd het actieprogramma eind 2012 afgerond.
De acties van het strategische plan hadden drie hoofddoelstellingen: een continue en homogene daling met 25 % van de arbeidsongevallen, een gedragswijziging bij de werknemers door het stimuleren van een risicopreventiecultuur in de ondernemingen en een verbetering van de werking van de interne en externe preventiediensten.
Om lessen te kunnen trekken uit deze nationale strategische aanpak op het gebied van welzijn op het werk, werd een onderzoek uitgevoerd. Prevent voerde dit onderzoek uit en organiseerde hiervoor interviews en overlegrondes met de stakeholders. Dit overleg, samen met de adviezen en officiële standpunten van de actoren op het gebied van welzijn op het werk, vormde de basis om de sterke en zwakke punten van de strategie te identificeren. Verder was dit vooral nuttig om aanbevelingen en werkpistes voor de toekomst te identificeren.

Een ‘grijs’ resultaat

Ondanks het grote aantal uitgevoerde acties werden de doelstellingen niet altijd bereikt. Hoewel het aantal ongevallen tijdens de periode 2008-2012 globaal gezien is afgenomen met ongeveer 10%, is deze daling niet alleen aan de strategie te danken. Andere factoren, zoals de veranderde arbeidsmarkt, kunnen hierin ook een rol hebben gespeeld.
De uitbouw van een preventiecultuur in bedrijven is het uiteindelijke doel van sensibiliseringsacties, opleidingen en ontwikkeling van praktische hulpmiddelen. In de loop van de periode van de strategie zijn er veel initiatieven genomen, vooral op het gebied van de preventie van musculoskeletale aandoeningen en psychosociale risico's. Maar gedragsverandering ten opzichte van risico’s op het werk is een lang proces dat moet worden voortgezet.
Interne en externe preventiediensten zijn de fundamenten van preventie in ondernemingen. Het is essentieel dat zij optimaal werken. Een van de doelstellingen van de strategie was de werking van externe preventiediensten te vergemakkelijken door de herziening van hun organisatie en tariferingssysteem. De bedoeling was dat de externe diensten hun activiteiten beter konden richten op de ondersteuning van de risico-evaluatie vooral in KMO’s. Deze doelstelling is niet bereikt. Er zijn nu wel nieuwe bepalingen voor de erkenning en controle van externe diensten van toepassing.

Een gebrek aan samenhang en mobilisering

Een nationale strategie is erop gericht om de structuren, procedures en middelen van preventiesystemen te veranderen om de performantie ervan te verbeteren. Zo een strategie heeft de neiging zich te concentreren op belangrijke vraagstukken die op voorhand vastgelegd werden, maar ze bepaalt ook de manier waarop moet geëvalueerd en bijgestuurd worden vanuit het perspectief van strategisch management op de middellange en lange termijn.
Maar de nationale strategie werd opgezet als een soort inventaris van alle activiteiten die aan de verschillende onderdelen van de EU-strategie voldeden. Dit leidde tot een versnippering van acties en middelen. Als de ontwikkeling van de strategie de  noodzakelijke financiële en menselijke middelen heeft kunnen vrijmaken voor bepaalde activiteiten, dan heeft de strategie zich toch niet op structurele verandering kunnen richten en heeft ze  niet de externe middelen kunnen aantrekken die hadden kunnen helpen om een aantal geformuleerde doelstellingen te bereiken. Om efficiënt te zijn, moet een strategie inderdaad brede steun kunnen genieten gedurende haar looptijd. Dit was, volgens het evaluatieverslag, niet het geval voor de strategie 2008-2012.

Pistes voor de toekomst

Het verslag bevat een reeks aanbevelingen voor de uitwerkingsfase van een volgende strategie. De volgende strategie moet opgedeeld worden in strategische doelstellingen, operationele doelstellingen en in acties. Elke doelstelling is een concretisering van een algemenere doelstelling.
Het rapport benadrukt de noodzaak tot samenwerking tussen de verschillende overheden, sociale partners en alle andere betrokken partijen in de voorbereidende fase. Het is ook belangrijk om een overeenkomst te vinden tussen de verschillende partijen over de verdeling van de operationele doelstellingen en de bijhorende verantwoordelijkheden. Indicatoren en monitoringsinstrumenten moeten het mogelijk maken om de strategie bij te sturen en te evalueren naarmate de uitwerking vordert. Een communicatieplan met de betrokkenen en het terrein (werkgevers, werknemers) moet een onderdeel zijn van de strategie. Dit is nodig om zich te kunnen verzekeren van de steun van de partners tijdens de uitvoering van de strategie..

Vier assen van de strategie

Inhoudelijk zijn dit de vier assen van de strategie:  

  • Duurzame tewerkstelling door kwaliteit van het werk met als sleutelelementen de kwaliteit van de fysieke omgeving en de arbeidsorganisatie;
  • Het versterken van de deelname aan de arbeidsmarkt met als prioriteit het behoud van het “gezondheidskapitaal” gedurende de volledige loopbaan en de inspanningen voor reïntegratie in geval van uitsluiting van de arbeidsmarkt;
  • Het versterken van de preventiestructuren met focus op de interne en externe preventiediensten, de hiërarchische lijn, het comité voor preventie en bescherming op het werk en de controlediensten voor welzijn op het werk
  • Het versterken van de preventiecultuur door de integratie van welzijn op het werk in de waarden en werkwijzen van de ondernemingen door de toekomstige werkgevers en werknemers heel vroeg te sensibiliseren en door de preventie-inspanningen te concentreren op de meest kwetsbare categorieën werknemers (jongeren, laaggeschoolden, ...), op de sectoren die het meeste risico lopen of op die werksituaties waar een verzwarende risicofactor bestaat (onderaanneming, uitzendarbeid,…).

Het rapport besluit dat de aanbevelingen van de Nationale Arbeidsraad in zijn advies nr. 1683 van 6 mei 2009 over de nationale strategie voor welzijn op het werk 2008-2012 geldig blijven. Deze worden ook volledig geïntegreerd in de voorgestelde structuur en inhoud van een toekomstige strategie.

Het evaluatierapport is beschikbaar op de website van de FOD WASO.

 

 

: PreventFocus 08/2013