Welzijn op het werk: Belgische nationale strategie 2016-2020

De Belgische nationale strategie voor welzijn op het werk werd voorgesteld tijdens de Europese week voor veiligheid en gezondheid (van 24 tot 28 oktober). Het is de uitvoering in België van het strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2014-2020.

Strategisch EU-kader 2014-2020
De Europese Commissie vraagt aan de Lidstaten om nationale strategieën te ontwikkelen die aansluiten bij het strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk (Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's inzake een strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2014-2020).

Het accent wordt gelegd op de volgende drie uitdagingen:
- gezondheid en veiligheid op het werk in micro- en kleine ondernemingen
Het blijft vooral voor micro- en kleine ondernemingen een uitdaging om de gezondheid en veiligheid op het werk van hun werknemers doeltreffend te beheren. Binnen kleinere organisaties is de mate van naleving van nationale en EU-voorschriften nog steeds relatief laag en deze organisaties worden veel minder goed bereikt dan de grotere ondernemingen.
- arbeidsongeschiktheid door ongunstige arbeidsomstandigheden
De arbeidsongeschiktheid neemt toe, onder meer door ziekten die worden veroorzaakt of verergerd door ongunstige arbeidsomstandigheden. Dit eist een hoge tol van werknemers, bedrijven en socialezekerheidsstelsels.
- vergrijzing van de beroepsbevolking
De arbeidsomstandigheden moeten worden afgestemd op de verlenging van het arbeidsleven. Voor een duurzaam arbeidsleven en voor actief en gezond ouder worden zijn een goede gezondheid en veiligheid van werknemers onontbeerlijk. Het bevorderen van een preventiecultuur is van essentieel belang om dat doel te bereiken.

Belgische nationale strategie
De Belgische nationale strategie voor welzijn op het werk legt een aantal strategische en operationele doelstellingen vast voor de komende vier à vijf jaar en bepaalt welke acties moeten ondernomen worden om deze doelstellingen te behalen. De Belgische Nationale Strategie stelt vier strategische doelstellingen voorop: bevordering van veilig en gezond werk, duurzame inzetbaarheid, versterking van de preventie en versterking van de preventiecultuur.

Veilig en gezond werk
Een eerste strategische doelstelling beoogt de bevordering van veilig en gezond werk. Alles moet dan ook in het werk worden gesteld om het aantal arbeidsongevallen en beroepsziekten te verminderen door het bestrijden van die risico’s zo dicht mogelijk bij de bron en door in te grijpen op de oorzaken ervan (primaire preventie). Dit door middel van sectoraal overlegde en omkaderde acties en een doelgerichte en systematische aanpak van recidive werkgevers. Een nauwe samenwerking tussen de verschillende betrokken overheidsdiensten (FOD WASO, FAO en FBZ) is hiervoor vereist, evenals overleg met de sociale partners.
Aan nieuwe en opkomende risico’s (blootstelling aan nanodeeltje, aan reprotoxische stoffen,…) en aan nieuwe vormen van arbeidsorganisatie (uitzendarbeid, onderaanneming,…) moet voldoende aandacht worden besteed, omdat zij de bron kunnen zijn van nieuwe beroepsziekten en een verhoogd risico op arbeidsongevallen met zich kunnen brengen.
Er dient eveneens aandacht te worden besteed aan twee fenomenen die een steeds toenemende reden van afwezigheid op het werk en van langdurige arbeidsongeschiktheid vormen: psychosociale risico’s (die samen met een hoge arbeidsdruk kunnen leiden tot burn-out en tot psychische aandoeningen zoals depressie) en slechte ergonomische omstandigheden (waaruit musculoskeletale aandoeningen kunnen voortvloeien).

Duurzame inzetbaarheid
Een tweede strategische doelstelling wil de deelname aan de arbeidsmarkt versterken. 
Duurzame inzetbaarheid betekent dat medewerkers over hun hele loopbaan voortdurend over daadwerkelijk realiseerbare mogelijkheden en voorwaarden kunnen beschikken om met behoud van gezondheid en welzijn te (blijven) functioneren. Dit impliceert niet alleen een werkcontext die hen hiertoe in staat stelt, maar ook een houding en motivatie om deze mogelijkheden daadwerkelijk te benutten.
De duurzame inzetbaarheid van werknemers moet worden bekeken in al zijn aspecten. Het arbeidsmarktperspectief is in dat verband belangrijk. In deze nationale strategie wordt vooral de focus gelegd op de integratie van jongeren, ouderen en arbeidsongeschikte werknemers.
Het is immers van belang dat jongeren inzicht verkrijgen in de risico’s op het werk en de juiste attitudes aanleren om met deze risico’s om te gaan, en dat oudere werknemers gezond verder kunnen blijven werken. Ook personen die een fysieke of psychische beperking hebben moeten kunnen toetreden tot de arbeidsmarkt en werknemers die (tijdelijk) arbeidsongeschikt zijn, moeten (opnieuw) de kans krijgen om aan het arbeidsproces te kunnen deelnemen.

Versterking van de preventie
De derde as beoogt de versterking van de preventie. Hier gaat de aandacht naar alle actoren die op een of andere wijze bijdragen aan de uitwerking en de implementatie van het preventiebeleid in de ondernemingen.
Het is dan ook van het allergrootste belang de werkgevers, vooral in de KMO’s, de nodige inzichten bij te brengen en hen te helpen om de verantwoordelijkheid voor het welzijnsbeleid daadwerkelijk op te nemen. In de grotere ondernemingen moet men waken over de medewerking van de leden van de hiërarchische lijn aan het preventiebeleid. Ook van de werknemers wordt verwacht dat zij een constructieve bijdrage leveren aan het welzijnsbeleid, onder meer door de gekregen instructies consequent toe te passen en problemen op de arbeidsplaats te signaleren. Het sociaal overleg kan tevens een motor zijn voor een grotere bewustwording van het belang van preventie en de daadwerkelijke toepassing van de preventiebeginselen door alle betrokken partijen. Ook de rol van de interne en de externe dienst voor preventie en bescherming is van belang. Deze rol bestaat erin deskundig advies te geven over het hele preventiebeleid in de onderneming en daardoor alle actoren te ondersteunen.
De overheid is eveneens een belangrijke speler bij het ontwikkelen en toepassen van maatregelen ter bevordering van het welzijn van de werknemers (het opstellen van heldere en gemakkelijk toepasbare wetgeving, het toezicht houden op de naleving van die wetgeving, door het ter beschikking stellen van epidemiologische gegevens over risico’s,…).
Tenslotte dient de overheid ook een voorbeeldfunctie te vervullen door voor haar eigen personeel de welzijnsreglementering beter en efficiënter toe te passen en door de naleving van de welzijnswetgeving te integreren in de procedures inzake overheidsopdrachten.

Versterking van de preventiecultuur
Een laatste strategische doelstelling beoogt het versterken van de preventie. Deze doelstelling heeft in het geheel van de strategie een ondersteunende en dynamiserende functie. Het ontwikkelen van een echte preventiecultuur (sensibiliseringscampagnes, uitwerking van instrumenten, praktijkvoorbeelden, de voorbeeldfunctie van werkgever en werknemer,…) vergt immers gedragsverandering en veronderstelt dat preventie is ingebed in alle aspecten van het menselijk handelen. 
Maar in feite gaat het verder dan dat: veiligheid moet worden aangeleerd samen met het beroep. In alle opleidingen die voorbereiden op een hiërarchische functie moet er aandacht zijn voor veiligheid en gezondheid van de werknemers, want deze opleidingen leveren de leden van de hiërarchische lijn van de toekomst.  

Planning en opvolging
Deze nationale strategie kwam tot stand na grondig overleg in de Nationale Arbeidsraad en in de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het werk. De planning en opvolging van de acties zal gebeuren in nauw overleg met de Hoge Raad. Voor elke concrete actie moeten er immers een aantal vragen beantwoord worden: wie is verantwoordelijk voor wat? Welke stappen moeten worden gezet om het doel te bereiken? Welke indicator geeft aan of het doel werd bereikt? Welke actie is prioritair?

Bron: werk.belgie.be 

: PreventMail 39/2016