Eenvormige vergoeding voor zwangere vrouwen

Een wetswijziging brengt veranderingen aan de vergoeding van zwangere vrouwen die omwille van de arbeidsomstandigheden van de werkvloer verwijderd worden.

Vanaf januari 2010 krijgen alle zwangere vrouwen die omwille van risicovolle arbeidsomstandigheden van de werkvloer verwijderd worden dezelfde vergoeding van het ziekenfonds.
Werkgevers moeten de arbeidsomstandigheden analyseren van zwangere vrouwen en vrouwen die borstvoeding geven. Indien de arbeidsgeneesheer vervolgens besluit dat een werkneemster werk uitvoert dat bepaalde risico’s met zich meedraagt, dan kan de werkgever verschillende zaken doen (werkomstandigheden of uurrooster aanpassen, tijdelijk een andere functie geven,…). Indien dat allemaal niet mogelijk is, dan zit er niet anders op dan de werkneemster te ‘verwijderen’ van het werk.

Bij een dergeljke werkverwijdering betaalde het Fonds voor Beroepsziekten (FBZ) tot nu toe de vergoeding van 78,237% van het nettoloon wanneer het risico op de lijst van beroepsziekten staat. Als het risico niet op de lijst staat, betaalt het RIZIV een vergoeding van maximaal 60% van het nettoloon. Vanaf 1 januari 2010 verdwijnt dit verschil en krijgen alle zwangere vrouwen die van de werkplaats worden ‘verwijderd’ een vergoeding van 78,237% van het ziekenfonds. In de praktijk betekent dit dat indien een dergelijke ’verwijdering’ gebeurt na 31 december 2009 de aanvraagformulieren naar het RIZIV moeten worden gestuurd, waarna de mutualiteiten rechtstreeks voor de uitbetaling zorgen. Zwangere vrouwen die voor 1 januari 2010 van het werk verwijderd worden, hebben nog de mogelijkheid een aanvraag in te dienen bij het Fonds voor de beroepsziekten.

De wijziging is het gevolg van een wetswijziging doorgevoerd door de Economische herstelwet (27 maart 2009, BS 7 april 2009), art. 30 (lees het artikel, abonnees preventlex)

: PreventActua Nr. 16, 2009