Kinney-methode: reeds achterhaald? (deel 2)

Geen kwantitatieve methode
Sommigen wijzen op de valkuilen van de Kinney-methode, maar anderen zijn nog kritischer. Jan Dillen, preventieadviseur bij de Federale Verzekeringen, behoort tot die deskundigen die de geldigheid van deze methode sterk in vraag stellen. Volgens hem mag de Kinney-methode niet meer worden gebruikt bij de risico-evaluatie inzake welzijn op het werk.

Uitgaande van bepaalde bronnen stelt hij dat het ongefundeerd is om de Kinney-methode te rangschikken bij de kwantitatieve methodes (5). De kritische benadering die hij hiervoor ontwikkeld heeft, is gebaseerd op de volgende vaststelling: de Kinney-methode is geen correcte risico-evaluatiemethode op technisch vlak, omdat de diverse gebruikers deze methode elk op hun eigen manier toepassen en dit zonder enige garantie op het verkrijgen van hetzelfde resultaat bij een nieuwe test. Volgens Jan Dillen beantwoordt de Kinney-methode dus niet aan de primaire vereisten voor elke risicoanalyse, of ze nu kwantitatief of kwalitatief is, met name de meetschalen. Elk gegeven, afkomstig van een kwalitatieve of kwantitatieve analyse, moet worden uitgedrukt in wat men noemt een meetschaal. Deze meetschalen zijn de ratioschaal, de intervalschaal, de ordinale schaal en de nominale schaal.

Beginnen we met de nominale schaal. Deze kent aan een object - in dit geval een risico - een attribuut toe voor de differentiatie ten overstaan van een ander risico (bv. risico 1, risico 2, risico 3,…).

In de ratioschaal (verhoudingsschaal) wordt het nulpunt beschouwd als een absolute waarde. Volgens Jan Dillen wordt deze schaal gekenmerkt door het feit dat de eenheid vrij kan worden gekozen, maar dat het referentiepunt vastligt. Met andere woorden, een risico met factor 10 is twee keer zo hoog als een risico met factor 5. De Kinney-methode beschikt niet over een schaal van dit type aangezien de risicoscores niet in verhouding staan tot elkaar: bv. een risicograad van 252 (R = W x B x E = 7 x 6 x 6) is niet noodzakelijk twee keer groter dan een risicograad van 126 (R = 7 x 3 x 6).

Bij de intervalschaal kan tegelijk de rangorde en de afstand tussen de gegevens worden gemeten. Zowel het interval als het referentiepunt kunnen vrij worden gekozen. Nemen we het voorbeeld van ons tijdsysteem. Hoewel het mogelijk is een onderscheid te maken tussen twee uren, bestaat er geen onderlinge verhouding (bijv. 17 u of 5 u in de middag is 7 uur later dan 10 uur, maar 10 uur is niet dubbel zoveel tijd als 5 u). Bijgevolg, zo stelt Jan Dillen, mag de Kinney-methode evenmin worden beschouwd als een intervalschaal.

De ordinale schaal dient om een rangorde te bepalen. De verkregen informatie is uitgebreider dan deze van de nominale schaal, omdat we niet alleen weten tot welke categorie de betrokken subjecten of objecten behoren, maar ook in welke volgorde ze gerangschikt staan. Zo kunnen de risico's worden gerangschikt van 1 tot 10, waarbij het risico 6 altijd groter is dan het risico 5. Bovendien kan deze schaal niet alleen worden uitgedrukt in getallen, maar ook in andere symbolen zoals ++, +, - of --.
De Kinney-methode heeft de kenmerken van een ordinale schaal: de risico's worden gerangschikt volgens toenemende rangorde, maar het is niet mogelijk de risicograden op te tellen. Men kan dus zeggen dat een risico met een graad van 252 groter is dan een risico met een risicograad van 42 (R = 7 x 1 x 6), maar dit betekent niet dat dit risico ook 4 maal groter is

Jan Dillen besluit dat de Kinney-methode geen kwantitatieve methode is aangezien de waarden inzake waarschijnlijkheid, frequentie en ernst worden uitgedrukt in getallen uit de vooraf opgestelde tabellen van Kinney en deze waarden die overeenstemmen met de risico's niet kunnen worden opgeteld of met elkaar vermenigvuldigd. De Kinney-methode kan dus worden beschouwd als een subjectieve-kwalitatieve evaluatie van de risicogrootte op basis van een ordinale schaal uit de tabellen van Kinney.

Een subjectieve evaluatie
Zoals wordt aangetoond door J.-P. Koob in zijn onderzoek (6) , kan het gebruik van de Kinney-methode zeer uiteenlopende evaluaties geven voor een identieke risicofactor of gevaarlijke situatie. Een test werd uitgevoerd op een bouwplaats voor de installatie van ondergrondse leidingen. De groep waarop het onderzoek betrekking had, was samengesteld uit een interne preventieadviseur, een arbeidsgeneesheer, een veiligheids- en gezondheidscoördinator, een werkleider en een student. Tijdens een bezoek aan de bouwplaats hebben de diverse observatoren niet allemaal dezelfde gevaarlijke situaties geïnventariseerd en hebben zij de risico's niet op dezelfde wijze geëvalueerd. We onderzoeken bij wijze van voorbeeld de resultaten die werden verkregen voor het risico op het inzakken van een strook aarde. Terwijl dit risico werd beoordeeld als onbeduidend door de werkleider (R = 3), werd het beschouwd als mogelijk door de interne preventieadviseur (R = 38) en als hoog door de arbeidsgeneesheer, de veiligheids- en gezondheidscoördinator en de student (R = 1500). En zo ging het voor alle andere risico's die werden geëvalueerd. Dit deed J.-P. Koob ertoe besluiten dat de evaluaties in termen van waarschijnlijkheid, blootstelling, ernst en risico subjectief zijn.

Kinney en Wiruth beweren in hun publicatie dat de risicograden het mogelijk maken “realistische prioriteiten tussen veiligheidsprogramma's” op te stellen. Het uitgevoerde onderzoek toont echter aan dat het geïsoleerde gebruik van de Kinney-methode leidt tot variabele lijsten van risicofactoren en divergente graden in functie van de opleiding van degene die het onderzoek uitvoert. Bijgevolg zijn de prioriteiten die hieruit voortvloeien ook zeer divergent.

Nadelen en voordelen houden elkaar in evenwicht
Een van de grootste voordelen van de Kinney-methode is tegelijk een nadeel: het gaat om de cijfermatige evaluatie van het risico. Een cijfermatige benadering maakt het immers makkelijk om prioriteiten vast te leggen, maar het kwantificeren of rekening houden met bepaalde elementen, zoals ergonomie, is onmogelijk. De Kinney-methode, die oorspronkelijk bestemd was voor het voorkomen van explosierisico's in de wapenindustrie, kan vrij gemakkelijk gebruikt worden voor de evaluatie van het risico op ongevallen zoals van een ladder vallen, zich snijden aan een cutter, enz. Daarentegen kan deze methode moeilijk, of zelfs helemaal niet, worden gebruikt voor de evaluatie van een risico op intoxicatie, fysieke of mentale vermoeidheid (cumulatieve risico's),… of voor de evaluatie van risico's verbonden aan gelijktijdige activiteiten (bv. een arbeider die werkt aan een breekmachine is beschermd tegen spatten door zijn beschermbril, maar dat is niet het geval voor de man die achter hem staat).

De Kinney-methode biedt eveneens het voordeel dat ze toegankelijk is en kan worden gebruikt om bij de werknemers begrippen te introduceren zoals waarschijnlijkheid, blootstelling en ernst, en dit op een kwalitatieve manier. Deze methode kan een ideaal middel zijn om de werknemers te sensibiliseren. Toch weegt dit pedagogische aspect niet op tegen de kosten voor het gebruik van deze methode op het gebied van tijd (werkwijze in fasen) en geld (opleiding, omkadering, externe betrokkenen,…).

Met deze methode kan men, zoals we hierboven reeds zegden, ook de effecten van de preventiemaatregelen meten en eenzelfde risico vergelijken in functie van de preventiemaatregelen die in de loop der jaren werden genomen. Ze kan een cijfermatige waarde leveren voor de aanvaardbaarheid van het risico en vooraf bepalen of de nieuwe risico's deze aanvaardbaarheidsgrenzen niet overschrijden.

Hoewel de cijfers die werden verkregen bij de analyse gebruikt kunnen worden bij het sensibiliseren van de directie (“op basis van onze cijfers”), heeft deze kwantificering toch haar beperkingen. Het is dus beter niet in deze val te lopen, te meer daar de Kinney-methode de indruk geeft een mathematische evaluatie te zijn, maar dan zonder nauwkeurige cijfers.

Kadertekst 2: voordelen en nadelen van de Kinney-methode

Voordelen Nadelen
Cijfergegevens Arbitraire cijfergegevens
Gemakkelijk toepasbaar Kosten
Rangorde van risico's Geen enkele garantie wat betreft kwaliteit van risico-identificatie
Meting van effect van de maatregelen voor preventie/bescherming Subjectieve methode (variabele resultaten)
Berekening van het aanvaardingsniveau van het risico Geen oplossing voor het verzoenen van de zeer divergente graden
Evalueren of er maatregelen moeten worden genomen Weinig precisie bij definiëring van de factoren W, B, G: risico op verwarring
Opleiden, informeren, tot nadenken stemmen Vals gevoel van veiligheid
Overtuigen van een werknemer of financier Niet strikt genoeg: hoe de verschillen tussen de graden inschatten?
Alleen voor bepaalde risico's

Besluit
Het voornaamste gebrek van de Kinney-methode ligt in het subjectieve karakter: de cijfermatige resultaten van de evaluatie zijn niet zeer representatief en maken het niet mogelijk de bedrijven onder elkaar te vergelijken. Mits men bepaalde elementen niet uit het oog verliest, blijft deze methode evenwel haar bestaansrecht behouden. Deze kwalitatieve methode is bijvoorbeeld nog altijd zeer nuttig voor de opvolging van de uitvoering van preventiemaatregelen. Bovendien gaat het om een participatieve en dus didactische methode. Bij gebruik in een werkgroep is de Kinney-methode een waardevol instrument. Ze is niet te ingewikkeld en biedt de mogelijkheid om na te denken over de bestanddelen van de risico’s. Ten slotte is de Kinney-methode ook nog altijd een praktisch instrument voor het rangschikken van de risico's.

(5) Dillen Jan, Stop met het gebruik van de methode van Kinney als kwantitatieve risico-evaluatiemethode: De methode van Kinney is geen kwantitatieve doch een kwalitatieve risico-evaluatiemethode.
(6) Zie referentie 2.

Hierbij de pdf van het bovenvermelde artikel van Jan Dillen in bijlage: 

: PreventFocus 1/2009