Een overzicht van de externe diensten voor Preventie en Bescherming op het Werk

Het reglementaire kader waarbinnen de externe preventiediensten werken werd de voorbije twintig jaar herhaaldelijk verfijnd en aangepast met als voorlopig laatste stap het KB van 27 november 2015 dat de bijdrageregeling hervormde. Deze tekst schetst de evolutie van de externe preventie is sinds 1 januari 2000, het tijdstip waarop de EDPBW’s operationeel werden.

Naar een schaalvergroting van de externe preventie
Het is er in de praktijk op uitgedraaid dat de EDPBW’s een omvorming en uitbreiding zijn van de vroegere interbedrijfsgeneeskundige diensten (IBGD’s). Er is slechts één uitzondering geweest: de recentelijk gecreëerde Limburgse externe preventiedienst CLB (zie verder). Tegen het einde van de vorige eeuw waren er welhaast honderd van die IBGD’s erkend èn actief in dit land. Vele daarvan waren erg kleinschalig en voor hen was een omvorming tot een externe preventiedienst dan ook quasi onmogelijk. Ze hielden het voor bekeken of smolten samen, zodat er nauwelijks 28 overbleven die een erkenningsdossier als externe dienst indienden om vervolgens, op 1 januari 2000, van start te gaan.

In de loop der tijden kalfde dit aantal door fusies en opslorpingen systematisch verder af.  Momenteel blijven er nog 11 EDPB’s over – en het valt te voorzien dat er nog samensmeltingen zullen gebeuren. Waar vroeger een aantal diensten zich specifiek richtten tot een bepaalde activiteitssector (meestal omdat ze vanuit die sector ontstaan waren) of een nauw omschreven territorium, zijn de meeste diensten nu actief over het ganse land en richten ze zich tot alle ondernemingen zonder uitzondering. Alleen de drie kleinste onder hen (Premed, Mediwet en CLB) zijn niet werkzaam in Wallonië – en CPS is nog een sectorgebonden dienst, want gegroeid vanuit de NMBS. Een actuele lijst van erkende en actieve externe preventiediensten is terug te vinden op de website van de FOD WASO. Onderstaande tabel geeft verdere informatie over de verschillende diensten.

 

Benaming

Bijkomende informatie

1. Mensura

Is de belangrijkste geworden door de opslorping van een groot aantal kleinere EDPB’s. De externe preventiedienst Mensura maakt deel uit van een belangrijke en gelijknamige groep die een selectie aan diensten levert aan het bedrijfsleven. De externe dienst biedt een ruime dienstverlening aan, in eerste instantie op het vlak van het ziekteverzuim en risicobeheersing. De groep is sterk aanwezig in de media.

2. Idewe

Is vooral actief in Brussel en het noorden van het land. Van christelijke signatuur. Legt veel nadruk op het gezondheidstoezicht, en investeert sterk in wetenschappelijk onderzoek ter onderbouwing hiervan. Idewe is een van de weinige EDPB’s die geen deel uitmaken van een grotere groep. Biedt een groot gamma van innovatieve diensten aan en staat sterk in de non-profitsector.

3. SPMT-Arista

Recent gecreëerde fusiedienst tussen twee middelgrote externe diensten die van oudsher van socialistische signatuur waren. Het zwaartepunt ligt in het zuiden van het land, en de dienst staat sterk in overheidsinstanties en verwante organisaties. SPMT-Arista richt zich in hoofdzaak op het vervullen van de reglementaire opdrachten, met nadruk op het gezondheidstoezicht.

4. Provikmo

Is gegroeid vanuit de KMO-wereld, doch momenteel ook goed ingeplant in grotere productiebedrijven. Erg performant op het vlak van de industriële hygiëne. Staat sterk in West-Vlaanderen en Duitstalig België en beschikt over een degelijke documentatiedienst die open staat voor de aangesloten werkgevers. Vormt een deel van het sociale-dienstverleningsgroep ADMB.

5. Securex

Externe preventiedienst die sterk afhangt van de gelijknamige dienstengroep die zich richt op een totaalpakket van diensten aan ondernemingen uit de private en publieke sector op het vlak van human resources. Huldigde in den beginne bescheiden ambities inzake preventie, maar heeft intussen een dienstverlening in de breedte uitgebouwd.

6. Attentia

Maakt deel uit van de gelijknamige dienstverleningsgroep, waar het een ondergeschikte rol speelt. De externe preventiedienst was voorheen vooral actief in de textielsector. Goede recente publicatie: “Hoe voelt de Belg zich op het werk?”

7. CESI

Klassieke dienst waar het gezondheidstoezicht als de belangrijkste activiteit wordt beschouwd. Origineel van Franstalig-christelijke inspiratie, en hoofdzakelijk actief in Brussel en het zuiden des lands. Mikt op een uitbreiding naar het Vlaamse landsgedeelte. Behoorlijk actief inzake ergonomie en psychosociale risico’s.

8. Mediwet

Kleine dienst die sterke banden heeft met de Antwerpse haven. Vooral aanwezig in de streek rond Wetteren en in het Antwerpse.

9. CPS

De enige resterende sectorspecifieke dienst die zich grotendeels beperkt tot de NMBS en aanverwante ondernemingen.

10. Premed

Kleine doch relatief performante EDPB die sterke banden heeft met de Leuvense Kamer van Koophandel. Vooral actief in productiebedrijven in het oosten van de provincie Vlaams-Brabant.

11. CLB

Kleine externe preventiedienst die nagenoeg uitsluitend actief is in Limburg. Opgericht in 2010 als opvolger van het vroegere Encare dat enkele jaren daarvoor was gefusioneerd met Mensura, maar zich later gedeeltelijk opnieuw losmaakte. Vormt een onderdeel van een grotere organisatie die zich voornamelijk richt op loonadministratie.

Tabel 1: overzicht van de erkende EDPB’s (rangschikking in afnemende grootte volgens hun jaarlijkse omzet in 2015)

 

Evolutie in werkwijze?
Dat de externe preventiediensten ontstaan zijn uit de toenmalige IBGD’s heeft zijn sporen nagelaten in de (opgelegde) structuur van de erkende diensten. Deze bestaan immers uit twee afdelingen: het Medisch Toezicht (waarin hoofdzakelijk arbeidsgeneesheren en verpleegkundigen werken) en vanaf 1 januari 2000 een bijkomende afdeling, Risicobeheersing genoemd, die de overige activiteiten met een preventief karakter moet uitvoeren.

Intussen worden steeds meer bedenkingen geuit over het nut van periodieke, medische onderzoeken; ook de beroepsvereniging van de sector zelf relativeert nu het belang hiervan (getuige hiervan de visietekst van Co-Prev, de beroepsorganisatie van de externe preventiediensten). Dit neem niet weg dat de afdelingen Medisch Toezicht in alle EDPB’s nog altijd onvergelijkelijk veel groter zijn dan de “risicobeheersers”. In alle externe diensten samen werkten in 2014 een kleine 200 preventieadviseurs-psychosociale risico’s, ongeveer evenveel preventieadviseurs-veiligheid, nauwelijks 60 ergonomen en slechts enkele tientallen arbeidshygiënisten – tegenover een kleine 1000 bedrijfsartsen en een 750-tal verpleegkundigen. Deze verhoudingen zijn de laatste jaren sterk beginnen te verschuiven, al was het maar omdat het aantal studenten arbeidsgeneeskunde intussen teruggevallen is tot een minimum; dit heeft als resultaat dat het huidige bestand aan bedrijfsartsen veroudert, velen naderen zelfs de pensioenleeftijd. Toch blijven de externe preventiediensten nog steeds overwegend medisch georiënteerde organisaties waar het beleid wordt uitgemaakt door artsen.

Dat uit zich ook in de besteding van de inkomsten van die diensten. In de eerste jaren van deze eeuw gingen de reglementair verplichte forfaitaire bijdragen die de werkgevers jaarlijks betaalden aan hun externe preventiedienst nagenoeg integraal naar de medische equipes, en in een aantal diensten is dit nog steeds grotendeels het geval. Ook generieke activiteiten zoals bedrijfsbezoeken en aanwezigheden op de Comitévergaderingen blijven in zowat alle diensten hoofdzakelijk voorbehouden voor de geneesheren en verpleegkundigen. Het is duidelijk een bewuste keuze, alvast tot enkele jaren geleden, vanwege de top van de externe preventiediensten om de forfaitaire financiering maximaal voor te behouden voor de medische equipes zodat de afdeling Risicobeheersing niet al te groot kan worden.

Groeiend belang van de afdeling Risicobeheersing
Maar deze situatie is in een aantal diensten intussen gekanteld. Risicobeheersing wordt, zowel qua bestaffing als qua omzet, belangrijker in het geheel: momenteel verwerven de externe preventiediensten ongeveer 25% van hun inkomsten uit bijkomende prestaties, en vaak gaat het hierbij om factureerbare vormen van dienstverlening buiten het gezondheidstoezicht. De kans is groot dat, wegens het vernieuwde financieringsstelsel dat vanaf volgend jaar allicht een belangrijke impact zal hebben, het aantal onderworpenen aan het gezondheidstoezicht de volgende jaren behoorlijk zal dalen: nu er geen koppeling meer is tussen de inkomsten van de externe preventiediensten en het aantal werknemers dat onderworpen wordt aan het gezondheidstoezicht, hebben de externe preventiediensten er zelf ook alle belang bij om de risicobeoordeling die aan de basis ligt van de onderworpenheid aan het gezondheidstoezicht aan een kritische blik te onderwerpen, want de grote kosten (in termen van personeelsuitgaven en werkingsmiddelen) liggen effectief bij de medische equipes. En aangezien ondernemingen nu deels zelf kunnen kiezen hoe hun externe preventiedienst zijn opdrachten invult binnen de verplichte bijdrageregeling en velen van mening zijn dat medische onderzoeken niet de beste manier zijn om in hun onderneming aan preventie te doen, zullen ook zij allicht de voorkeur geven aan andere vormen van dienstverlening.

Naar een grotere klantgerichtheid?
Dan nog zullen er belangrijke verschillen in aanpak blijven bestaan. Elke EDPB hanteert zijn eigen insteek, zelf binnen ons erg detaillistisch reglementair kader. Diensten die zich in een belangrijke mate richten op het zuiden van het land (CESI, SPMT-Arista), of die ijveren voor een blijvend dominante positie van het gezondheidstoezicht zullen het primaat steeds bij de arbeidsgeneeskunde blijven leggen; andere die zich meer klantgericht opstellen zullen het accent leggen op andere vormen van dienstverlening. Het onderscheid tussen deze twee laatste categorieën van EDPB’s vertaalt zich in de bestaffing: de grootste externe preventiedienst Mensura heeft afgerond 120 bedrijfsartsen in dienst, het kleinere IDEWE telt er boven de 160…

Het is alvast onmiskenbaar dat de EDPB’s meer dan vroeger klantgericht werken. Ze organiseren een hele reeks opleidingen, verspreiden nieuwsbrieven en allerhande informatieve publicaties en ze bieden vormen van dienstverlening aan die hun reglementaire verplichtingen ruim overschrijden. Voorbeelden zijn: medische onderzoeken in het kader van rijgeschiktheidsattesten, voedselveiligheid (HACCP), consultancy op het vlak van het ziekteverzuim, ziekenhuishygiëne, ondersteuning voor het behalen van een VCA-certificaat…

Vaagheden in de wetgeving
Ondanks het uitgebreide reglementaire kader, blijven ondernemingen, en overigens ook de externe preventiediensten zelf, met vragen zitten. We zullen er hier enkele uitlichten. Een eerste gaat alvast over de evolutie die in de vorige paragraaf werd geschetst.

Mogen de externe preventiediensten activiteiten uitvoeren buiten het strikte toepassingsgebied van de Welzijnswet?
Op dit vlak geeft de reglementering geen duidelijk houvast. De tendens lijkt te zijn om het werkingsgebied van de externe preventiediensten eerder breed te interpreteren, uiteraard voor zover de activiteiten te maken hebben met preventie van menselijke en materiële schade op de arbeidsplaats. De diensten zelf zien het zo, en alleszins lijkt de overheid niet geneigd om hier tegen op te treden.

Moeten de externe preventiediensten op eigen initiatief bepaalde acties ondernemen of moeten zij enkel optreden wanneer dit expliciet door de werkgever wordt gevraagd ?
Uit de verschillende bepalingen blijkt dat de interne preventiedienst, en dus ook zijn externe evenknie, geen afwachtende houding mag aannemen, maar integendeel de verplichting heeft om bepaalde initiatieven te nemen.
Meer bepaald voor ondernemingen uit de D-categorie, en in mindere mate uit de C-categorie, neemt de externe dienst verplicht een groot aantal taken over die in grotere ondernemingen normaliter door de interne dienst moeten worden uitgevoerd. De externe dienst heeft in kleinere ondernemingen derhalve een adviesplicht, en moet dus de werkgever op eigen initiatief wijzen op de noodzaak bepaalde preventiemaatregelen toe te passen, zoals monitoring, wanneer uit de aard van het risico onomstotelijk blijkt dat deze preventiemaatregel noodzakelijk is. Het is niet omdat de werkgever de eindverantwoordelijkheid draagt voor het preventiebeleid dat de externe preventiedienst alleen moet doen wat hem uitdrukkelijk gevraagd wordt. Anderzijds blijft de overeenkomst die een onderneming met een externe preventiedienst afsluit steeds een middelenverbintenis, geen resultaatsverbintenis.

Mogen ondernemingen aangesloten zijn bij meer dan één externe preventiedienst?
Hier is het weinig bekende artikel 2 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten van toepassing. In principe mag elke werkgever zich slechts aansluiten bij één enkele externe preventiedienst. Een uitzondering wordt gemaakt voor ondernemingen die bestaan uit minstens twee technische bedrijfseenheden: wanneer de hoofdzetel is aangesloten bij een bepaalde EDPB, maar een technische bedrijfseenheid gelegen is op het grondgebied waarvoor die externe preventiedienst niet erkend is, mag een tweede EDPB in de arm genomen worden. Deze nogal kromme constructie werd origineel uitgedacht voor de interimsector, en dateert van de periode waarin vele externe diensten slechts actief waren op een bepaald stuk van het Belgische territorium.
En er is nog een uitzondering mogelijk: indien die technische bedrijfseenheid regelmatig een beroep doet op specifieke bekwaamheden van zijn EDPB die niet voorradig zijn bij de externe preventiedienst waarbij de hoofdzetel aangesloten is, dan mag deze situatie worden verdergezet. Ook deze uitzondering vindt zijn grond in het verleden, toen vele externe diensten maar een beperkte dienstverlening konden aanbieden op het gebied van niet-medische preventie.
Dezelfde principes gelden voor ondernemingen die zich hebben verenigd in een gemeenschappelijke interne preventiedienst. Het mag overigens duidelijk zijn dat uitzonderingen op het principe “één interne preventiedienst, één externe preventiedienst” steeds zeldzamer worden. Grote ondernemingen opteren immers voor een éénvormig preventiebeleid overheen al hun afdelingen, en dan is het logisch dat ze verkiezen te werken met één enkele externe preventiedienst.

: PreventFocus 01/2017