Covid-19: een KB over de bijkomende taken voor arbeidsartsen

De arbeidsartsen van de interne en de externe preventiediensten spelen een belangrijke rol om de verspreiding van het coronavirus in ondernemingen te beperken (contactopsporing op de werkvloer, doorverwijzen van werknemers naar testcentra, uitschrijven van quarantaineattesten, …). Deze bijkomende taken worden beschreven in een KB dat verscheen op 21 januari 2021.

Biologische agentia
Boek VII van de Codex welzijn op het werk over biologische agentia richt zich voornamelijk op de werkzaamheden waarbij werknemers ten gevolge van het werk worden of kunnen worden blootgesteld aan biologische agentia. Een aantal algemene codexbepalingen geven een rol aan de arbeidsarts in het vermijden van besmettelijke ziekten op het werk. Zo heeft het gezondheidstoezicht onder andere tot doel “te vermijden dat personen tot het werk worden toegelaten die getroffen zijn door ernstige besmettelijke aandoeningen” (art. I.4-2, f). In het kader van de coronacrisis moet de arbeidsarts bijkomende taken op zich nemen, in het bijzonder met betrekking tot de contactopsporing op het werk, het uitschrijven van quarantaineattesten voor werknemers en het testen van werknemers.
 
KB voor tijdelijke opdrachten
De taken die tijdelijk toegekend worden aan de arbeidsarts, zijn beschreven in een koninklijk besluit in uitvoering van de Welzijnswet van 4 augustus 1996. Dit KB is een aanvulling op de bepalingen inzake het gezondheidstoezicht in de codex over het welzijn op het werk (boek I, titel 4) maar, omdat het maar tijdelijk is, werd het niet ingevoegd in de codex. Het besluit zal van toepassing zijn zolang de dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus te voorkomen in voege zijn en een impact hebben op de werkzaamheden van de arbeidsarts. Het zal worden opgeheven op het moment dat de pandemie voldoende onder controle is.
Het koninklijk besluit van 5 januari 2021 betreffende de rol van de preventieadviseur-arbeidsarts bij de bestrijding van het coronavirus COVID-19 (BS van 21 januari 2021) heeft als doel een reglementair kader te bieden voor de bijkomende specifieke taken die worden toebedeeld aan de arbeidsarts. Het KB treedt in voege op de dag van publicatie in het Belgisch Staatsblad, dus op 21 januari 2021.
 
Hoogrisicocontacten
Vanaf het moment dat de arbeidsarts kennis krijgt van een positief geval (door de contactopsporingsdiensten, door de werknemer zelf, door zijn werkgever), spoort hij de hoogrisicocontacten in de dagen voorafgaand aan de afname van de test of het optreden van de symptomen bij de betrokken werknemer op (collega’s, leidinggevenden, uitzendkrachten, derden, …). Het opsporen van de hoogrisicocontacten die zich buiten de werkcontext situeren (bv. in familie- of vriendenkring), behoort niet tot de opdrachten van de arbeidsarts. Indien het een uitzendkracht betreft, is het de arbeidsarts van de gebruiker die de contactopsporing moet doen. De arbeidsarts verstrekt een quarantaineattest aan de betrokken werknemers en houdt de werkgever hiervan op de hoogte.
 
Testen
De arbeidsarts kan werknemers doorverwijzen voor een test (bv. als hij die werknemers als hoogrisicocontact geïdentificeerd heeft of als hij oordeelt dat een test nodig is om in de onderneming een dreigende uitbraak onder controle te houden). Het is dus in geen geval toegelaten dat er voortdurend zonder enige aanwijzing zou worden getest, of dat systematisch alle werknemers worden getest (ook niet als dat vrijwillig gebeurt). Indien de arbeidsarts beslist zelf testen af te nemen (bv. wanneer de testcapaciteit onder druk staat), is het alleen mogelijk als hij gebruikmaakt van passende pbm (zoals FFP2-maskers, gelaatsbescherming, schorten en handschoenen) en over het juiste testmateriaal beschikt.
 
Samenwerking
Werkgevers en werknemers moeten meewerken met de arbeidsarts (art. 4). Dit houdt onder meer in dat de werkgever en de werknemers de arbeidsarts zo snel mogelijk verwittigen als zij op de hoogte zijn van een besmetting, dat de werkgever de nodige contactgegevens verschaft aan de arbeidsarts zodat hij de werknemers kan contacteren en dat de werknemers waarheidsgetrouw aangegeven wie hun hoogrisicocontacten op het werk zijn.
Als de arbeidsarts (bv. na vaststelling van een aantal besmettingen) bijkomende preventiemaatregelen voorstelt om de verspreiding van het virus te beperken of uitbraken te voorkomen (bv. inzake hygiëne, ventilatie, of organisatie van het werk), moet de werkgever hiervan op de hoogte worden gesteld en hieraan gevolg geven. De werkgever herbekijkt desgevallend de risicoanalyse, vraagt advies van de bevoegde preventieadviseurs, en overlegt, voorafgaand aan het nemen van de maatregelen, met het comité voor preventie en bescherming op het werk.
 
Prioriteiten
Het KB laat ook toe om bepaalde verplichtingen (tijdelijk) op te schorten als gevolg van de aangepaste prioriteiten in het takenpakket van de arbeidsarts (art. 5). De arbeidsarts baseert zich op de naamlijst van werknemers die aan het verplicht gezondheidstoezicht zijn onderworpen, om te bepalen welke van zijn taken en opdrachten in het kader van het gezondheidstoezicht hij vervolgens bij voorrang zal verrichten. Hij moet daarbij prioriteit geven aan de meest kwetsbare werknemers (jongeren, uitzendkrachten, beginnende werknemers, werknemers met een gezondheidsproblematiek, ...).
De voorafgaande gezondheidsbeoordelingen dienen in elk geval te worden uitgevoerd. Deze gezondheidsbeoordelingen zijn immers essentieel om nieuwe werknemers te kunnen aanwerven, en er bestaat van hen ook nog geen gezondheidsdossier.
De onderzoeken bij werkhervatting, de spontane raadplegingen, de onderzoeken in het kader van moederschapsbescherming en van rijgeschiktheid dienen maximaal te worden uitgevoerd. Risicovolle technische onderzoeken of niet-essentiële onderzoeken waarbij het risico op besmetting van de apparatuur of overdracht naar werknemers verhoogd is, worden best vermeden (bv. spirometrie).
Indien het onderzoek via teleconsultatie verlopen is, vermeldt de arbeidsarts het in vak F van het formulier voor de gezondheidsbeoordeling.
Bepaalde verplichtingen in het kader van het gezondheidstoezicht (bv. periodiek gezondheidstoezicht, gezondheidsbeoordelingen, aanvullende medische handelingen) kunnen op een later tijdstip worden ingehaald (art. 6). De werkgever informeert hierover de betrokken werknemers en het comité.
 
Tarificatie
Voor werkgevers van groepen C- en D (die niet beschikken over een interne preventieadviseur niveau I of II) geldt dat bepaalde taken van de arbeidsarts worden beschouwd als algemene prestaties. Dit is het geval voor taken in het kader van de contactopsporing, voor het verstrekken van quarantaineattesten aan werknemers en voor het doorverwijzen voor testen. Het zelf afnemen van een test door de arbeidsarts wordt niet in het zogenaamde ‘basispakket’ opgenomen, zodat er bijkomend kan worden gefactureerd. 
Voor grotere werkgevers van groepen A, B en C+ (die beschikken over minstens één interne preventieadviseur niveau I of II) kunnen preventie-eenheden gebruikt worden voor de taken die de arbeidsarts uitvoert in het kader van contactopsporing, het verstrekken van quarantaineattesten en het doorverwijzen voor testen. Ook hier geldt dat tests die door de arbeidsarts zelf worden afgenomen, gefactureerd mogen worden.
 
De gecoördineerde teksten van het koninklijk besluit van 5 januari 2021 (preventLex)
 
Bron:
: preventActua 03/2021