Aangepaste regels rond financiering externe diensten in wet Welzijn

Op 31 december 2013 verscheen een wet over het eenheidsstatuut die ook de bepalingen rond de financiering van de externe diensten in de Wet welzijn wijzigt.

Kader
Met de invoering van het eenheidsstatuut voor arbeiders en bedienden is ook een herziening voorzien van de taken en de financiering van de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk. Daarom was een aanpassing van de Welzijnswet en de uitvoeringsbesluiten nodig om deze nieuwe financieringsregeling uit te werken.
Deze aanpassing van de Wet Welzijn is opgenomen in de wet van 26 december 2013 betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden inzake de opzeggingstermijnen en de carenzdag en begeleidende maatregelen (BS 31 december 2013). Deze wet past artikel 40 van de Wet Welzijn aan.

Artikel 40?
Artikel 40 §3, tweede lid van de Wet Welzijn stelt dat de Koning de regels bepaalt betreffende de organisatie, de opdrachten, het juridisch statuut en de bekwaamheden van de preventieadviseurs van de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk.
Aan dit tweede lid wordt een nieuwe bepaling toegevoegd (zie kader 1) om de bevoegdheid van de Koning in verband met de financiering van de externe diensten in de Wet Welzijn te verankeren.

 

Kader 1 - Nieuwe bepaling in artikel 40 (§3, tweede lid) van de Wet Welzijn (wet van 26 december 2013, art. 96)
‘Zo bepaalt Hij de wijze van financiering van de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk en legt Hij twee niveaus van forfaitaire bijdragen vast die de door Hem te bepalen prestaties van deze diensten dekken. Naargelang de aard van de activiteiten te bepalen door de Koning, is de werkgever per werknemer één van deze forfaitaire bijdragen verschuldigd aan zijn externe dienst voor preventie en bescherming op het werk. Voor werkgevers die maximum 5 werknemers tewerkstellen worden lagere niveaus van forfaitaire bijdragen voorzien.’

 

Bevoegdheden
Er wordt uitdrukkelijk bepaald dat de Koning de bevoegdheid heeft voor:
- het vaststellen van de wijze van financiering van de externe diensten;
- het bepalen van de prestaties die moeten worden geleverd door deze externe diensten en die gedekt worden door een forfaitaire bijdrage;
- het bepalen van twee niveaus van forfaitaire bijdragen per werknemer. Het niveau van forfaitaire bijdragen waarvan de werkgevers verschuldigd zijn wordt bepaald door de activiteiten die zij uitvoeren. Voor werkgevers die maximaal 5 werknemers tewerkstellen worden verlaagde bijdragen voorzien.
        
Werkgeversbijdrage
Verwacht wordt dat het akkoord over het eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden zal leiden tot een kostenverhoging voor sectoren met veel arbeiders. Men wil deze verhoging echter milderen door een modulering van de werkgeversbijdrage voor de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk.
Deze regeling zal ervoor zorgen dat het totaalbedrag van de forfaitaire inkomsten van alle externe diensten (rekening houdend met het aantal werknemers waarvoor deze diensten samen instaan) ongeveer even hoog is als het bedrag in de huidige forfaitaire financieringsregeling.

In werking
Deze wet treedt in werking op 1 januari 2014, met uitzondering van de bepalingen die betrekking hebben op de wijzigingen aan de Wet Welzijn. Door middel van een (nog te verschijnen) KB zal bepaald worden wanneer die in werking treden.

 

 

: PreventMail 01/2014